Een zandbak met verhalen
In het licht van wat wij weten van Zia Haider Rahman
Ik kan het maar beter kort houden. Anders loop ik in dezelfde val waarin Zia Haider Rahman verzeild is geraakt toen hij zijn - veelgeroemde maar eigenlijk knap matige - roman In het licht van wat wij weten concipieerde. Ik geef het maar direct weg: dit boek is veel te lang. Bijna zeshonderd pagina’s. Dat zou eigenlijk best moeten kunnen, zou je zeggen. Ik heb hier op deze plaats al eens Der Mann ohne Eigenschaften van Robert Musil besproken – ruim twaalfhonderd pagina’s, nog afgezien van de niet door de schrijver geautoriseerde varianten – en Harmonia Caelestis van Péter Esterházy (bijna achthonderd pagina’s) en natuurlijk het boek der boeken: Het leven een gebruiksaanwijzing van Georges Perec, vrijwel even dik als deze Rahman. Maar dan: wat een verschil! Perec: een prachtig mozaïek van kunstig met elkaar verweven verhalen, een ode aan de fantasie. Rahman: een zandbak, een verzameling verhalen die als een zware last over je heen gestort worden. Tot je er moedeloos van wordt.
Schuldgevoel
Ik kan het maar beter kort houden. Maar ik moet er toch iets over zeggen. De roman begint wanneer de ene mannelijke hoofdpersoon, Zafar, tamelijk berooid op de stoep staat bij de ander. We zitten in London en de ander, de ik-figuur die dit boek optekent, is – om een understatement te gebruiken – in tamelijk goede doen. Tien jaar hebben ze elkaar niet gezien, Zafar en de ik-figuur, en ‘ik’ is tamelijk verbaasd als hij zijn oude vriend en studiegenoot daar zo verlopen aantreft. Een schuldgevoel bekruipt hem ook, lezen we in het begin, maar waarom, dat zullen we pas later – veel later! – ontdekken. Eerst moet Zafar worden geïntroduceerd: een briljante wiskundige van armoedige Bengaalse afkomst, die na zijn wiskundestudie ook nog rechten aan Harvard ging studeren om vervolgens in de wereld van de haut-finance terecht te komen. Maar tegelijk iemand met een drive om de wereld te verbeteren, dus die financiële wereld zint hem op den duur niet en verderop in het boek zien we hem dan ook terug in de ontwikkelingssamenwerking. Afghanistan vooral.
Een middelmatig wiskundige
Grappig: een briljant wiskundige. Ze zullen het eens een keer niet zijn, die wiskundigen in romans. Zelf ken ik weinig briljante wiskundigen, maar in romans blijken ze allemaal geniaal te zijn. Oh nee, toch niet! Er is één middelmatige wiskundige: ‘ik’. ‘Ik’ is in alles het tegenstuk van Zafar: middelmatig als wiskundige, van gegoede Pakistaans-Britse afkomst, geen interesse in rechten, geen interesse in de wereld om hem heen, behalve in de bankensector waar hij – hij wel! – nog altijd een goede boterham verdient.
De vraag is natuurlijk: wat brengt Zafar na zoveel jaren terug bij ‘ik’? Dat wil ‘ik’ ook wel weten – er knaagt bovendien nog ergens een ons onbekend schuldgevoel - dus hij laat zijn oude vriend binnen in zijn chique appartement waar Zafar uitgebreid de kans krijgt zijn verhaal te doen. Maar eerst wat wiskunde. Het is per slot van rekening – dat was ik vergeten te vertellen – ook een wetenschap populariserend boek, dit In het licht van wat wij weten. Dus draaft daar op pagina 11 al Kurt Gödel op en twee pagina’s verder hebben we ook Lebesque, Cauchy, Gauss, Euler en Einstein gehad. Niet dat we er veel van opsteken, maar de vriendschap tussen Gödel en Einstein in Princeton gaat ons in het vervolg nog parten spelen, let op!
Da kommt das Weib
Ik kan het maar beter kort houden. Zafar vertelt zijn verhaal op een gefragmenteerde, maar – als we de ‘ik’ mogen geloven – heel doordachte en slimme manier. Uiterst gedoseerd. Dus dan zitten we eerst in Oxford, bij de studie van de twee mannen, en dan springen we ineens naar Afghanistan en dan weer terug naar Harvard en New York om tussendoor ook regelmatig uitstapjes te maken naar de geboortegrond van Zafar in Bangla-Desh. Springen in tijd, springen in plaats, dat mag in een roman. Maar ga dan niet steeds herhalen wat er de vorige keer ook alweer in Afghanistan was gebeurd. Laat de lezer zelf de ruimte om de lijntjes te leggen tussen de Verenigde Staten en Dubai (ja, daar was-ie ook).
Het eigenlijke verhaal. En ja hoor: Da kommt das Weib. Wie immer, möchte ich sagen. Er is een Emily en Emily en Zafar zijn of waren een paar – al zou je dat niet zeggen, wanneer je Zafar over zijn oude liefde hoort praten – en Emily is/was in verwachting van een kind van Zafar. Tot grote vreugde van Zafar die zichzelf al ziet als dolgelukkige vader, weliswaar van een kind wiens moeder hij nauwelijks kan uitstaan, maar toch: vader is vader, nietwaar. Totdat Emily besluit tot een abortus. Waarom? Waarom toch? Ik geef het maar direct weg: het kind is niet van Zafar! Wij, arme lezers, zijn dan al ruim vijfhonderd pagina’s onderweg.
De duizend-gulden vraag
En dan nu de duizend-gulden vraag: van wie is het kind wel? Spoiler-alert! Hint: er zijn twee mannelijke hoofdpersonen in het boek. Dat schuldgevoel van ‘ik’ kunnen we onderhand wel plaatsen, op ruim driekwart van het boek. Grappig is wel dat daar verder niks mee gebeurt. ‘Neem je het me kwalijk,’ vraagt ‘ik’ nog deemoedig, maar Zafar luistert al niet meer, die is alweer bezig met de verwikkelingen in Afghanistan, waarbij hij – het moet gezegd – een ontluisterend beeld schept van de moderne praktijken rond de ontwikkelingssamenwerking waar iedereen zijn eigen belangen nastreeft en er totaal geen oog is voor het belang van het – in dit geval – Afghaanse volk. Zonder meer de beste passages uit het boek, ook al zitten ook hier nog een paar clous in die je niet veel wijzer maken.
Maar de mannenvriendschap ondanks alles, waar het om gaat in dit boek, daar hebben we toch echt geen vijfhonderd pagina’s voor nodig. Het boek eindigt met een foto die Zafar aan zijn vriend stuurt nadat hij zijn boeltje heeft gepakt en is vertrokken. We zien Einstein en Gödel, wandelend door het park in Princeton. Voor ‘ik’ de bevestiging van hun mannenvriendschap. De laatste zin van het boek: ‘Als ik naar de foto kijk, zie ik twee mensen die los van tijd en ruimte schouder aan schouder doorwandelen en af en toe tegen elkaar aan stoten terwijl ze praten over zaken die zij belangrijk vinden en waarom ze belangrijk zijn.’ Ja. Mooi. Maar wat heeft dat met Zafar en ‘ik’ te maken?
Zia Haider Rahman, In het licht van wat wij weten, vertaling Anne Jongeling, Hollands Diep, 592 pp., ISBN 9789048835683