De stelling van Gödel
Puzzels, paradoxen en associaties over wiskunde en literatuur
Eind jaren tachtig van de vorige eeuw verzorgde ik onder de naam De stelling van Gödel een wekelijkse puzzelrubriek in kunieuws, destijds het weekblad van de Katholieke Universiteit Nijmegen. De stelling van Gödel bevatte wiskundige en logische puzzels en paradoxen, van heel simpel tot behoorlijk ingewikkeld. De lezer werd uitgedaagd met oplossingen te komen die in de volgende aflevering werden besproken. De ‘beste’ oplossingen kwamen in aanmerking voor een boekenbon.
Maar in deze wat je zou kunnen noemen puzzelrubriek-pur-sang liet ik me gaandeweg ook verleiden tot meer filosofische of quasifilosofische beschouwingen, tenminste als de wiskunde daar aanleiding toe gaf. Wiskundigen doen dat graag. En na verloop van tijd deed ook de literatuur haar intrede, als ik tenminste iets wiskundigs, een of andere wiskundige invalshoek, kon ontdekken in een boek dat me intrigeerde. Deze meer op de literatuur geënte columns verdienden een eigen subrubriek: Hinkelspel, naar het boek Rayuela, een hinkelspel van de Argentijnse schrijver Julio Cortázar, een boek dat onmiskenbaar iets wiskundigs in zich heeft.
De universiteit heet inmiddels Radboud Universiteit en het weekblad is omgedoopt tot Vox, een maandblad met een dagelijkse digitale broer. En de puzzelrubriek is al lang ter ziele. Maar voor de rest is er niet veel veranderd. De logische en wiskundige puzzels zijn er nog steeds – die gaan nooit verloren – en het spel met de filosofie en de literatuur kan nog altijd worden gespeeld. En toen ik de columns een aantal jaren geleden teruglas, vond ik ze af en toe verrassend intrigerend. Reden genoeg, leek mij, om ze te bundelen en in boekvorm uit te geven.
Deze bundel bevat alle columns van De stelling van Gödel en Hinkelspel, aangevuld met enkele boekrecensies over wiskunde en literatuur die ik jaren later voor De Wortel schreef. De Wortel was het zeer onregelmatig verschijnende periodiek van de wiskunde-alumnivereniging van de Radboud Universiteit, een blad met een historisch geringe oplage van zestig. Ook De Wortel is inmiddels ter ziele. Reden genoeg om ook de Wortelcolumns in deze bundel op te nemen.
Een voorproefje van De Stelling van Gödel lees je hieronder.
Frans Janssen, De stelling van Gödel, Puzzels, paradoxen en associaties over wiskunde en literatuur
De stelling van Gödel is zowel als boekje (€ 12,50) als als pdf (€ 5,00) verkrijgbaar. Neem contact op met de auteur.

De stelling van Gödel
Voorproefje: het muntjesprobleem
Deze verzameling columns heet de stelling van Gödel. De stelling van Gödel is een rek. Een oneindig groot, boomvormig rek. Maar niettemin een beperkt rek. Want er bestaan dingen tussen hemel en aarde die niet op dit rek, die niet op de stelling van Gödel liggen.
Enige uitleg lijkt geen luxe. De stelling van Gödel zegt globaal het volgende. Men neme een wiskundig systeem. Dat bestaat in eerste instantie uit een paar axioma’s en enkele afleidingsregels. Die laatste geven aan hoe je vanuit de axioma’s stellingen kunt bewijzen. En vanuit eenmaal bewezen stellingen weer nieuwe stellingen. Met dat simpele materiaal kunnen wiskundigen langzamerhand steeds ingewikkelder stellingen bewijzen. Langzamerhand vertakt zich de boom der stellingen: in het begin een paar axioma’s en enkele simpele stellingen, maar na verloop van tijd heeft onze ambitieuze wiskundige een gigantisch netwerk van takken en zijtakken en zij-zijtakken opgebouwd, een netwerk dat zich tot in de hemel kan uitstrekken. In termen van Gödelse rekken: beneden een of twee simpele planken, maar hoe verder je naar boven komt, hoe ingewikkelder. Op ieder van die planken ligt een wiskundige stelling zoals zich in Culemborg op iedere plank een boek bevindt. De stelling van Pythagoras kom je al vrij in het begin tegen, maar voor de stelling van Gödel – want die ligt ook op zijn eigen rek! – moet je al een behoorlijke zwerftocht door de stellingenboom ondernemen.
Maar nu: tussen de takken zit ruimte. En in die ruimte zweven uitspraken, uitspraken die zomaar waar kunnen zijn, maar die niet op een plank liggen. Althans, dat is de inhoud van de stelling van Gödel: dat er ware uitspraken zijn die niet op de stelling van Gödel liggen. Met andere woorden: binnen de wiskunde bestaan er ware uitspraken die niet door de wiskunde te bewijzen zijn. Uitspraken die als het ware tussen de planken van de stelling van Gödel hangen. De stelling van Gödel heet niet voor niets de onvolledigheidsstelling.
Ho, was dit niet een puzzelrubriek? Juist, maar puzzels zijn ook wiskundige uitspraken. En in deze rubriek zullen soms eenvoudige puzzeltjes aan de orde komen. Die onderin de puzzelboom te vinden zijn, soms echter ook gecompliceerde toppuzzels. En soms, en dat zijn natuurlijk de leukste, zullen er onoplosbare, zwevende puzzels zijn. De pendanten van de onbewijsbare ware uitspraken.
We beginnen onderaan. Een muntjesprobleem. Attributen: tien stapels van elk tien muntjes. Alle muntjes wegen tien gram per stuk op de muntjes van één stapeltje na. Die wegen allemaal negen gram per stuk. De muntjes zijn visueel niet van elkaar te onderscheiden. Tot je beschikking heb je verder een weegschaal die gewichten aangeeft, geen balans dus maar een keukenweegschaal. Probleem: voer één weging uit en bepaal welk stapeltje het afwijkende stapeltje is.
Oplossing
De truc: neem van het eerste stapeltje één muntje, van het tweede stapeltje twee, van het derde drie etcetera. Het tiende stapeltje komt in zijn geheel op de weegschaal. Zouden alle muntjes tien gram wegen dan zou de weegschaal 550 gram aangeven. Maar het totale gewicht is minder, want er zitten lichte muntjes tussen. Stel dat de weegschaal 548 gram aangeeft. Dan lagen er dus twee lichte muntjes op. Maar twee lichte muntjes, die komen uit stapeltje twee. Dus dat is het afwijkende stapeltje. Klaar!
Misschien vraagt u zich af hoe ik aan die 550 gram kom. Dat is, lezer, eenvoudig de som van een tot en met tien (het aantal muntjes op de weegschaal) vermenigvuldigd met het gewicht van een muntje. Even een anekdote tussendoor: de grote wiskundige Carl Friedrich Gauss was nog niet groot maar al wel behoorlijk slim toen hij nog op de lagere school zat. Op een dag was er veel kabaal in de klas van de kleine Carl. De meester verzon een zoethoudertje: hij liet de leerlingen de getallen 1 tot en met 100 optellen, daar zouden ze wel een uurtje mee onder de pannen zijn. Helaas, binnen een minuut stond Carl voor de meester met het juiste antwoord: 5050. Toen was duidelijk dat er een grote toekomst als wiskundige voor hem was weggelegd.
Hoe de kleine Carl zo snel aan zijn oplossing kwam? Hij werkte paarsgewijs van ’buiten naar binnen’. Links stond 1, rechts 100. Samen 101 zag Carl. Eén stapje naar binnen staan 2 en 99. Weer samen 101. Nog een stapje verder 3 en 98, verdraaid alweer 101. Hoeveel van die paartjes van 101 heb ik eigenlijk vroeg Carl zich af. Even denken. Oh ja, 50 natuurlijk. Dus 50 paartjes van 101, even rekenen. Voilà meester: 5050!