Giordano

De onvolledigheidsstelling van Giordano

De eenzaamheid van de priemgetallen

De titel is natuurlijk een schot in de roos: met de titel De eenzaamheid van de priemgetallen heeft Paolo Giordano niet alleen in één klap de harten van de wiskundigen gestolen, ook lezers die minder affiniteit met de wereld van de mathematica hebben, blijken erdoor geïntrigeerd. Althans, dat valt mij op wanneer ik – zoals de laatste tijd vaak – verwikkeld raak in heftige discussies over de kwaliteit van dit boek. Die titel, daar zijn we het dan snel over eens, die is fantastisch. Daar moet zelfs Georges Perec passen, die met mijn all-time favourite Het leven een gebruiksaanwijzing toch ook een aardige gooi heeft gedaan naar de prijs voor meest-intrigerende-titel-ever.

Maar dan. Is De eenzaamheid van de priemgetallen een goed boek? De flaptekst vindt van wel. Het gaat, aldus de uitgever, om een ‘grandioze roman waarmee Paolo Giordano blijk geeft van een diepgaand inzicht in de complexe menselijke psyche’, en dat laatste, van dat inzicht, kan ik – alle uitgeversretoriek ten spijt – niet eens ontkennen. Een grandioze roman is het evenwel beslist niet. Waar gaat het dan mis met dit boek?

Anorectica

Laten we eerst de intrige onder de loep nemen. Het boek kent twee hoofdpersonen, Mattia en Alice. Beiden zijn, zo zou je het tegenwoordig noemen, contactgestoord. Alice heeft een dominante vader die haar in haar jeugd behoorlijk achter de vodden zit, met alle desastreuze gevolgen van dien. Alice ontwikkelt zich tot het protoype anorectica die op school grote moeite heeft om zich te handhaven tegenover de bitches van de klas, allen even mooi en welbespraakt.

Mattia is wiskundige, of althans een jongeling met een grote voorliefde voor de wiskunde, een jongen van weinig woorden, vooral bezig met zichzelf. Op dit moment begint zich al een lichte ergernis van mij meester te maken. Twee contactgestoorde figuren en een verhaal dat gaat over de aantrekkingskracht die zij op elkaar uitoefenen, gekoppeld aan de onmogelijkheid van contact, dat is nog tot daaraantoe. Maar waarom twee van die stereotypen? Waarom én een wiskundige én een anorectica? Hadden we niet ietsje meer fantasie kunnen opbrengen, meneer Giordano?

Tweelingzusje

Maar – alsof wiskundige zijn al niet erg genoeg is – Mattia draagt ook nog eens een groot geheim met zich mee. Daarvoor moeten we naar het begin van het boek, wanneer Mattia als scholier naar een feestje mag – waar hij natuurlijk eigenlijk niet naar toe wil, maar goed – en waar hij heengaat met zijn tweelingzusje Michela. Nu is Mattia hyperintelligent en in de symmetrische wereld van Giordano betekent dat dat Michela een mongooltje is. Mattia vindt dat hij zich niet met zijn zus op het feestje kan vertonen en laat haar achter bij de rivier. Ingrediënten te over voor het noodlot om toe te slaan. En inderdaad: als hij terugkomt, is Michela verdwenen.

Symmetrie: een toverwoord in de wereld van Giordano. De hoofdstukken zijn keurig gerangschikt: eerst Alice, dan Mattia, dan Alice, dan weer Mattia. Enzovoorts. Om en om. Tot vervelens toe. De enige uitzonderingen zijn de paar hoofdstukjes waar Alice en Mattia elkaar ontmoeten. Die leveren – soms – spanning op. Die onttrekken zich – af en toe – aan de kunstmatige symmetrie van het boek. En daar hebben we een van de hoofdpunten van kritiek: het boek is kunstmatig, bedacht. Cerebraal. De hoofdpersonen komen niet tot leven. Ze fungeren als marionetten in een door Giordano geconstrueerde wereld. De schrijver wil aantonen dat echt contact moeilijk is en Mattia en Alice zijn de argumenten in zijn bewijsvoering. Het valt nog mee dat hij zijn boek niet eindigt met Quod erat demonstrandum.

Tweelingpriemgetallen

Een paar voorbeelden om het marionetachtige karakter van onze hoofdpersonen te illustreren. Mattia is wiskundige, en dat zullen we weten ook. Wat doet een wiskundige wanneer hij naar buiten kijkt? Hij ziet de wereld, net als ieder ander. Maar toch, op een andere manier. Een beetje gebogen buxushaag en Mattia ziet een sinusoïde. De problematische verhouding tussen hem en Alice? De associatie met priemgetallen ligt voor de hand: ‘Mattia dacht dat Alice en hij zo waren, twee tweelingpriemgetallen, alleen en verloren, vlak bij elkaar, maar niet dicht genoeg om elkaar te raken.’ Dat vind ik dan eerlijk gezegd nog wel weer mooi, dat beeld van die tweelingpriemgetallen – paren priemgetallen die 2 van elkaar verschillen zoals 41 en 43 – die wel dicht bij elkaar liggen maar toch ieder een eigen, elkaar uitsluitend domein hebben. Maar het gaat maar door: de wereld van Mattia gezien door zijn wiskundige bril en die van Alice verwrongen door haar anorexia. Dezelfde argumenten, steeds weer herhaald. We komen niet echt in de hoofden en de harten van de hoofdpersonen, we krijgen niet mee wat hen werkelijk drijft. De vreemde geest van een op zichzelf gerichte jongen met aanleg voor wiskunde? Lees dan Marc Haddons The curious incident of the dog hidden in the night-time.

Ook ‘het grote geheim’, Michela, fungeert als een element in de onvolledigheidsstelling van Giordano. Soms, tientallen pagina’s lang, is Michela niet aanwezig in het boek. En erger, ook niet in het hoofd van Mattia. Totdat hij zich ineens weer – bijvoorbeeld in een situatie van lastig contact met een vriendinnetje dat een collega voor hem heeft geregeld – dat vreselijke moment herinnert dat zich afspeelde aan de rand van de rivier. Waarom opeens op dat moment die herinnering? Omdat Mattia via een of andere duistere associatie bij zijn zus uitkwam? Nee, omdat Giordano die herinnering nodig had voor zijn bewijs: Mattia komt niet tot echt contact, dat is wat bewezen moet worden.

Page-turner

Kunstmatig komt Michela tegen het eind van het boek ook weer tot leven, or so it seems. Alice, al hoog en breed getrouwd en gescheiden met/van een ander, komt in een ziekenhuis een qua ontwikkeling achtergebleven meisje tegen dat haar vanwege de gelaatsuitdrukking heel erg aan Mattia doet denken. Het zou toch niet…? En ze schrijft onverwijld naar Mattia die inmiddels een teruggetrokken leven leidt als docent wiskunde aan een universiteit ergens in Noord-Europa. En ja, Mattia komt. Maar nee, ze is het niet. Geen dea ex machina.

Is het boek nu werkelijk zo slecht? Nee, ik heb er best van genoten en een page-turner is het ook, met al die kleine, symmetrische hoofdstukjes. Maar een grandioze roman? Ik zou zeggen het is een mooi bewijs voor de onvolledigheidsstelling van Giordano: contact tussen mensen is best moeilijk. En voor een bewijs geldt inderdaad het dictum van Occam: causae non sunt multiplicandur praeter necessitatem, je moet niet meer opschrijven dan je strikt nodig hebt. En dat is wat Giordano doet, ondanks zijn ruim driehonderd pagina’s: in de grond zijn het steeds dezelfde situaties, dezelfde argumenten, dezelfde grondhoudingen van zijn hoofdpersonen die ervoor zorgen dat het contact niet tot stand komt. Maar voor een roman gelden andere wetten. Die wetten zijn vooral geloofwaardige hoofdfiguren die zich ontwikkelen en soms ook eens iets doen dat niet door de logica van de schrijver wordt gedicteerd. Een roman is het leven en het leven onttrekt zich aan de logica, meneer Giordano. Althans, af en toe.

Paolo Giordano, De eenzaamheid van de priemgetallen, vertaling Mieke Geuzebroek, De Bezige Bij, 318 pp., ISBN 9789023463733

Frans Janssen

vertaler | columnist | recensent

© Copyright. Alle rechten voorbehouden.

Information icon

We hebben je toestemming nodig om de vertalingen te laden

Om de inhoud van de website te vertalen gebruiken we een externe dienstverlener, die mogelijk gegevens over je activiteiten verzamelt. Lees het privacybeleid van de dienst en accepteer dit, om de vertalingen te bekijken.