Het leven verteld door Georges Perec
Een gebruiksaanwijzing voor het leven? Je leven voor een gebruiksaanwijzing? Het eerste raadsel zit al in de titel: wat bedoelt Georges Perec eigenlijk met die titel van dat – in alle opzichten – fantastische boek van hem? La vie mode d'emploi. Vertaald als: Het leven een gebruiksaanwijzing. Zonder komma, terecht, want die staat er in het origineel ook niet. Maar dat lidwoord in het Nederlands, daar begin ik al aan te twijfelen. Waarom staat er niet gewoon: Het leven gebruiksaanwijzing? Niet dat ik dat zou begrijpen. Het leven is een gebruiksaanwijzing, misschien? Maar waarvoor dan?
De titel, die eerste woorden: een raadsel. Het boek in zijn geheel: ook een raadsel. Maar wel een raadsel met een glasheldere structuur en opgebouwd uit glasheldere zinnen.
Eenheid van tijd en plaats
Eerst de structuur. Punt één: strikte eenheid van plaats. Een flatgebouw in het zeventiende arrondissement van Parijs, rue Simon-Crubellier 11. Een reeks woningen in dat appartement, variërend van riante appartementen op de lagere verdiepingen tot minuscule dienstbodenkamertjes vlak onder het dak. In al die kamers, natuurlijk, bewoners.
Punt twee: strikte eenheid van tijd. Eén moment, het moment even voor acht uur 's avonds dat de assistente van het makelaarskantoor de trap opklimt om een appartement te bekijken dat ze in de verkoop wil doen. De bewoner van dat appartement, Gaspard Winckler, is namelijk al enige tijd daarvoor overleden. Maar dat is intrige, daar zijn we nog niet. Eerst verder met de structuur. De camera – zo moet je de schrijfstijl van Perec haast wel omschrijven – kijkt afwisselend in de verschillende woningen. En vertelt de verhalen van de bewoners aan de hand van wat hij daar aantreft op dat ene moment, even voor acht. Soms is dat een persoon, iemand die onder de douche staat bijvoorbeeld, maar soms ook een object, een schilderij of een brochure die op tafel ligt. Een van de fraaiste episodes is de beschrijving van de inhoud van de catalogus op het gebied van de woninginrichting die de camera ontmoet in het appartement van mevrouw Moreau. ‘Set steeksleutels, gefreesd, chroom-vanadium, 6-7, 8-9, 10-11, 12-13, 14-15, 16-17, 18-19, 20-22, 21-23, 24-26, 25-28, 27-32. Eén jaar volledige garantie. Nietpistool voor behangers, voor krammen van 4, 6, 8, 10, 12 en 14 mm. Verfpistool met verwisselbare patronen.’ Etcetera. En dat dan drie pagina's lang. Hilarisch. Op het gebied van de opsommingen is Perec groter dan Homerus.
Chaos van handeling
Punt drie: ogenschijnlijk volstrekte chaos van handeling. Iedere observatie van de camera is aanleiding voor een verhaal. Volgens het register achter in het boek kent de roman 105 verhalen. Ik schat dat het er vijf keer zoveel zijn. Ik noem er een paar om de fantasie van Perec te illustreren: verhaal van de acrobaat die niet meer van zijn trapeze wilde komen; verhaal van de vier jongelui die in de lift vastzaten; verhaal van de vijf zusters die allemaal succes hadden; verhaal van de zadelmaker uit Szczyrk; verhaal van de zwarte bokser die geen enkele wedstrijd won. Enzovoorts, enzovoorts. Het boek kent ook nog een begrippen- en namenregister met ongeveer 3000 (!) ingangen over werkelijk de meest uiteenlopende zaken. In één woord: chaos.
Chaos? Dan ken je Perec niet. Perec legt verbanden. Perec is gefascineerd door verbanden. Gebeurtenissen die op het eerste gezicht niets met elkaar te maken hebben, worden door Perec – met een af en toe onwaarschijnlijke, maar nergens onzinnige fantasie – aan elkaar gekoppeld. Perec is een speler, Perec is een puzzelaar.
Acquarellen
Een puzzelaar is ook een van zijn hoofdpersonen, om nu toch maar eens naar de intrige van het boek over te gaan. Dé intrige? Nee, hooguit een van de vele. Maar wel de aangrijpendste. Meneer Bartlebooth heeft in zijn jeugd een levensvervulling voor zichzelf bedacht. Tien jaar lang bekwaamt hij zich in de kunst van het aquarelleren. Twintig jaar reist hij vervolgens allerlei havensteden in de hele wereld af en maakt daar – met een tempo van één doek in de twee weken – aquarellen van de zeegezichten, steeds op een formaat van 65 bij 50 cm. Als een aquarel af is, gaat die naar de rue Simon-Crubellier, naar de eerdergenoemde Winckler. Die is door Bartlebooth ingehuurd om ieder aquarel volgens een nauwgezet procédé te verlijmen op hout, te verzagen in een puzzel van 750 stukjes en op te bergen in een speciaal daarvoor bestemde doos. De volgende twintig jaar van zijn leven zal Bartlebooth besteden aan het in elkaar zetten van de puzzels – weer met een tempo van één exemplaar per twee weken – het losweken van de aquarellen en het terugbrengen naar de plaats van schildering alwaar ze worden ondergedompeld in een reinigende oplossing. ‘Zo zou er geen enkel spoor overblijven van deze operatie die de bedenker ervan vijftig jaar lang volledig in beslag genomen zou hebben.’
De nauwkeurig geplande leegheid van het bestaan. En het gaat nog mis ook, want Winckler heeft zijn zinnen erop gezet om Bartlebooth een loer te draaien. De ene zinloze levensvervulling doorkruist door de andere.
Schaakpartij
Heeft dit geniale boek iets met wiskunde te maken? Er komt wiskunde in voor, zeker. Op pagina 20 lezen we de volgende stelling: ‘Als f € Hom(ν,μ) resp. g € Hom (ξ,ν) een homogeen morfisme is waarvan de graad de matrix α resp. β is, dan is f o g homogeen en is zijn graad het matrixproduct αβ.’ Het bewijs – niet zo moeilijk trouwens – staat er ook bij.
Maar dat is natuurlijk niet het wiskundige aan dit boek. Het wiskundige zit hem veel meer in de spanning tussen de uiterste strakke vorm die Perec zichzelf heeft opgelegd – de rigoureuze eenheid van plaats en tijd – en de ongebreidelde fantasie die door die vorm binnen de perken moet worden gehouden. Vergelijk het met een schaakpartij: harde regels over tweeëndertig poppetjes die alleen volgens een voorgeschreven patroon kunnen bewegen over vierenzestig velden, maar wel een ongekende baaierd aan mogelijkheden. Een wiskundig bewijs: de taal, de vorm ligt vast, de inhoud is wonderbaarlijk vrij. Een werkelijk waardevol wiskundig bewijs geeft bovendien inzicht in onvermoede verbanden, iets wat Perec in zijn boek ook steeds weer doet.
Literaire hommage
Het gaat om die strakke vorm aan de ene kant en die uitwaaierende, maar toch door een zekere logica bij elkaar gehouden inhoud aan de andere kant. Perec is sowieso een vormfanaat. Een door Guido van de Wiel in het Nederlands vertaald boek van hem heet La disparition. Het bevat geen enkele e. Van de Wiel geeft zijn huzarenstuk in het Nederlands de titel ’t Manco mee. Mooi, maar jammer genoeg glipt hem daarmee één verwijzing van Perec door de vingers. Want wat verdwijnt er in La disparition, behalve dus overal de e? Het blijkt dat aantal letters van de titel (La = 2, disparition = 11) verwijzen van 11 februari 1943, de dag dat de moeder van Perec door de Nazi’s is meegenomen. Hij zou haar nooit meer terugzien. Zijn e-loze boek is een literaire hommage aan zijn moeder.
Ook de titel Engelse vertaling van Gilbert Adair (A Void !) moet het jammer genoeg zonder deze verwijzing doen. Toch, als eerbetoon aan de vertaler, ‘zomaar’ een zin uit deze tour de force: Not daring to pass a night in such unpromising surroundings, Ishmail simply ‘borrows’ as many tools as his arms can carry, as also a big brass cauldron, a chopping board, a winnowing fan, a matchbox or two and a hip flask brimming with whisky, and quickly slips off to a clump of dark woodland not too far away, in which stands a run-down shack; starts doing it up, allowing not a day to go by without improving it; hunts, kills and cooks rabbits; and, on his most fruitful raid, actually corrals an agouti with his lasso, making bacon and ham, dripping and black pudding, out of its carcass.’ Maar goed trouwens dat er geen Ierse whiskey in die heupflacon zat. . .
Ik ben geboren
Andere juweeltjes, wel in het Nederlands vertaald: W of de jeugdherinnering, De dingen, Een kunstkabinet, Een man die slaapt, de autobiografie Ik ben geboren en – leukste titel van allemaal – Wat voor brommertje met verchroomd stuur achter op de binnenplaats? Ik krijg de neiging om nog een paar van die fantastische verhalen van Perec op te sommen, maar ik doe het niet. Het boek ligt tegenwoordig in een goedkope paperbackuitgave bij alle boekhandels. Koop dat boek, lees het, verbaas je, lach (regelmatig), slik (af en toe) en vooral blijf je verbazen. Leg het weg, laat het door je hoofd spelen en lees het daarna nog een keer. Ik ga er nu weer aan beginnen.
Georges Perec, Het leven een gebruiksaanwijzing, vertaling Edu Borger, Arbeiderspers, 576 pp., ISBN 9789029506441