Voskuil

De afscheidsspeech

(vrij naar Het Bureau)

Jan liep de draaideur door, groette Hans Schoenlapper die de tussendeur voor hem ontgrendelde en draaide rechtsaf de trap op. Boven aangekomen liep hij even het secretariaat binnen – nog geen Marietje gelukkig, dus ook geen post – en vervolgde zijn weg naar het koffiehoekje. Van een afstand zag hij Koen Metsel en Cornelia Gerritsen al, in druk gesprek verwikkeld. ‘Hoe ze het doen, maakt me niet uit,’ hoorde hij Koen betogen, ‘zolang in het hele proces de informatiefunctie maar volcontinu wordt bewaakt.’ Hij ging erbij staan, schonk zich een kop koffie in en liet er een zoetje in glijden. Vanuit de zijkamer mengde Reinier Hekkeman zich in het gesprek. ‘Dat is precies wat de OC in het overleg met de directeur naar voren heeft gebracht,’ riep hij. ‘Maar die verwees naar de projectleider, dus daar word je ook niet veel wijzer van.’

Hij zuchtte. Net Frans Bennink, vroeger, dacht hij bij zichzelf. Hij pakte zijn pen in zijn rechterhand en draaide er gedachteloos mee in zijn rechteroor. Zijn blik dwaalde naar de stapels papier op de lange kast. C-team, 16-08, las hij. Meer dan drie maanden oud. Han Oldeburger was ook zo verrekte slordig. Gaf niks door, hield stukken voor zich, communiceerde niet. Ook vandaag had hij hem weer niet in zijn kamer gezien, terwijl ze toch om tien uur een afspraak hadden met de rector erbij. Nou ja, wie weet kwam hij nog. Zijn gedachten gingen terug naar Rob Baars. Die had het niet zover laten komen, bedacht hij bij zichzelf. Een heel onaangename man, dat wel, maar wel iemand die van aanpakken wist. Hoe had hij het een paar maanden geleden in de aula ook alweer tegen Han gezegd: ‘Jullie moeten er dwars voor gaan liggen, voor dat college en voor die decanen. Nondeju!’ Arme Han, hij had niet geweten hoe hij het had. Jan glimlachte, heel even maar, grimmig en weemoedig tegelijk.

Vanuit een ooghoek zag hij Jan Franssen aankomen. Dat was tenminste iemand waar je mee kon praten, overwoog hij. Hoewel, die liet zich tegenwoordig ook al voor ieder karretje spannen. Hij nam zijn koffiekopje van de kast, liep zijn kamer in en trok de deur zorgvuldig achter zich dicht. Nog drie kwartier om te werken aan zijn speech.

*

'En je doet het niet, hè. Dat doe je toch niet. Ik wil niet dat je het doet.’ Marjolein keek hem fel aan. ‘Dat is toch opgeklopte dikdoenerij. Daar doe je toch niet aan mee. Je gaat toch geen afscheidsspeech schrijven voor al die mensen waar je je dertig jaar aan hebt zitten ergeren. En dan zeker weer iedereen over de bol aaien, net alsof je ze allemaal zo aardig hebt gevonden. Dat zijn toch helemaal geen aardige mensen.’ Jan zuchtte. ‘Natuurlijk zijn het geen aardige mensen. Maar ik kan toch niet zeggen dat het allemaal schoften zijn, of draaikonten of domoren. Dat kun je toch niet zeggen.’ ‘Natuurlijk kun je dat zeggen. Dat had je al veel eerder moeten zeggen. Of anders zeg je helemaal niks. Je had trouwens helemaal nooit op dat Bureau moeten gaan werken. En zo meteen moeten we naar je moeder en dan heb je er helemaal geen tijd meer voor.’

Hij zuchtte nog eens. Dat van zijn moeder was hij helemaal vergeten. ‘Ik denk dat je maar het best vast in je eentje naar ons-moeder kunt,’ probeerde hij voorzichtig, ‘dan kom ik wel later.’ ‘Alleen? Wie-zijn-moeder is het eigenlijk? Wat denk je wel, dat ik me opoffer omdat jij zo nodig mooi weer moet spelen voor die collega’s van jou? Je zorgt maar dat je over een uur klaarstaat.’

Jan begreep dat hij er niet meer uit kon halen. Een uur! En hij had zo’n prachtig retorisch hoogstandje in gedachten. Een doorwrochte filosofische analyse over de zin van de wereld in het algemeen en de universiteit van Nijmegen in het bijzonder, en dat alles gelardeerd met fraai geplaatste Latijnse en Griekse citaten die de spijker op hun kop sloegen. Het definitieve antwoord op het morele verval van de universiteit, dat had het moeten worden. En tegelijk een afrekening met al die mensen die het al die jaren niet hadden begrepen of niet hadden willen begrijpen. Marjolein had wel gelijk, natuurlijk, hij moest ze allemaal eindelijk eens de waarheid zeggen. Maar een uur! Dat kreeg hij dus nooit meer voor elkaar. Hij voelde zich gedeprimeerd.

*

Hij keek om zich heen. De aula was bijna helemaal vol. De meeste van zijn collega’s en oud-collega’s waren er. Achter hem, in de corona, de rectoren en de oud-rectoren, Bodo van Eik het meest links, daarnaast Frans Walschap en Hans Dieters. De stoel van Cas van Liersum was – jammer genoeg – leeg. Op de eerste rij in de zaal Jimmie van Neerbosch, broederlijk naast John Huizinga. Monomane mannen, allebei, dacht hij bij zichzelf. Die zou iemand eens op hun nummer moeten zetten. Hij zuchtte, voelde het dikke pak aantekeningen in zijn linkerzak, kwam even in de verleiding, maar bedacht zich bijtijds en haalde uit zijn rechterzak een halfvol gekrabbeld A-viertje. Hij schraapte zijn keel. ‘Beste mensen, ik ben heel blij dat ik hier met jullie allemaal ...’ Zijn gedachten dwaalden af.

Frans Janssen

vertaler | columnist | recensent

© Copyright. Alle rechten voorbehouden.

Information icon

We hebben je toestemming nodig om de vertalingen te laden

Om de inhoud van de website te vertalen gebruiken we een externe dienstverlener, die mogelijk gegevens over je activiteiten verzamelt. Lees het privacybeleid van de dienst en accepteer dit, om de vertalingen te bekijken.