Voorproefje van Voorlopig verblijf

Voorproefje van Voorlopig verblijf van Wolfgang Hilbig

In Neurenberg, in het troosteloze licht van een boetiek, was hem plotseling iets overkomen: toen hij de platte treden naar het souterrain afliep, via een steeds smallere draaiing in de trap, een soort wenteltrap, geruisloos over de vloerbedekking en met een onregelmatige pas omdat de treden irritant verschilden in grootte, had hij zich opeens aangevallen gevoeld. Een flauwe schaduw haalde hem in, hij vermoedde een arm die tegen hem werd opgeheven, met of zonder wapen, en in een flits draaide hij zich op zijn hakken om. Het volgende moment verbaasde hij zich erover hoe geweldig zijn reflexen nog waren. Automatisch vloog zijn linker uit de heup, schoot voorbij aan de dreigend opgeheven arm en knalde droog op een kaak die hij nog helemaal niet goed had gezien. Dat zou naar het scheen al genoeg zijn geweest, maar met zijn rechter, ondersteund door een lichte kniebuiging, raakte hij de ander direct daarna midden op zijn lichaam, hij voelde de hoornen knoop van een losjes dichtgeknoopte jas, midden in de roos, en met het restant van de zwaai haalde hij zijn rechter door naar boven, langs het lichaam van de ander, de knoop schoot eraf, de jas sprong open en de opwaartse hoek schakelde de vent volledig uit. En met een kleine stap weer op beide voeten terechtkomend raakte hij hem met een tweede linkse directe nog een keer vol op het ongedekte hoofd, dat was de genadeklap, hij brak in stukken.

Met een zucht viel de gast op de vloer, als een schaar knipte hij dicht, daarna wipte hij weer omhoog en kwam stuiterend met zijn zitvlak op de trap terecht, waar hij, voordat hij op zijn buik bleef liggen, een weinig elegante rol achterover voltooide waarbij hij een staande lamp omvertrok die direct uitging. Toch was in het halfdonker te zien dat delen van gebroken ledematen uit de armen van de jas gleden, het gezicht dat bij de nek gedraaid was, liet een verwijtende grijns zien. Door de stofwolken waren schrille schreeuwen van beneden uit de boetiek te horen. C. stapte, terwijl hij de gipsresten van zich afklopte, over de aan gruzelementen geslagen etalagepop door wie hij zich overvallen had gevoeld en maakte zich uit de voeten, geen acht slaand op de puinhoop achter hem. Met vlotte maar beheerste passen stapte hij weer naar buiten in de heldere namiddagzon van de Breite Gasse. Hij schudde zijn hoofd en keek nerveus naar alle kanten. Daarbij slikte hij iets van een vreemd slecht geweten weg: ongetwijfeld was zijn tegenaanval veel te massief geweest, waarschijnlijk was een van de links-rechts-combinaties al voldoende geweest.

Er was niets gebeurd, het was een normale middag, alles gedroeg zich in hoge mate normaal, op de Breite Gasse heerste het dagelijkse gewoel van het winkelende publiek waarin hij zonder opzien te baren kon onderduiken. Juist nu, een paar uur voordat de winkels dichtgingen, was het buitengewoon druk. Er was niemand die langzaam door de blinkende winkelpromenade liep, iedereen was druk en had haast en iedereen had een uitdrukking op het gezicht waar de overtuiging van afstraalde dat ze de meest rechtvaardige zaak van de wereld dienden: winkelen. Beneden aan de rand van de straat dwars op de Breite Gasse reden de taxi’s af en aan, nauwelijks stopte er een of de volgepropte plastic zakken werden op de achterbank of in de kofferbak gegooid, de ene na de andere auto vulde zich met koopjesjagers en de ene na de andere gleed weg, rustig, speels, ruimte makend voor de na hen komende auto’s, ze reden zoemend op het silhouet van de binnenstad af of richting de buitenwijken waar de taxi’s weer nieuwe, nog niet bevredigde kopers inlaadden en bij de voetgangerszone afzetten. Zo ging het heen en weer in een onafgebroken handel en wandel, zoals een of andere president, van een bank of van de Bondsrepubliek, het ooit had uitgedrukt, conservatief en soepel in de handel en wandel van een van zijn toespraken; en de trams die bij het station aankwamen, openden hun deuren en spuugden vloedgolven kopers uit die direct in de voetgangerszone oplosten. En onder het plaveisel kwamen de metro’s aangeraasd en loosden onder de regelende stemmen van de luidsprekers ook weer scharen van kopers en dirigeerden ze naar de overvolle roltrappen die de mensenstromen rechtstreeks in het licht van het winkelgebied katapulteerden. En daar vermengden de tevredenen zich met de ontevredenen en vice versa; de bedrogenen werden één met degenen die niet waren opgelicht en ze omarmden hun bedriegers gelukzalig wanneer ze de boetieks en de winkels en de galerijen inliepen, en ze kochten en ze betaalden en ze betaalden opnieuw en ze tekenden hun cheques met gevleugelde hand. En wanneer ze weer op Breite Gasse stonden, straalden ze in de glans van hun liquiditeit en ieder van hen was voortreffelijk en belangrijk genoeg om de goedertierenheid van God in zijn hart te dragen. Zo stapten ze voort, met hoog boven zich de torens van de kathedraal vlakbij…

Hij zat inmiddels zwetend in de schaduw van een van de terrasschermen die de tafels voor de ingang van een lunchroom overspanden en probeerde langzaam een lauwwarme kop koffie te drinken. Het glas water dat hij bij de koffie had besteld, had hij in één teug achterovergeslagen.

Hier waren dus wel genoeg mensen, dacht hij verongelijkt, terwijl hij de bedrijvigheid om hem heen in zich opnam. Genoeg figuren, meer dan genoeg zelfs voor een dikke roman. Daarmee moest zelfs de literatuurkritiek tevredengesteld kunnen worden, die zich sinds de gezegende tijd van de postkoetsen steeds maar bezighield met het aantal handelende personen in verhalend proza. Personen, personen, personen, altijd hetzelfde liedje. Maar waarom zou ik daarin meegaan? Ik moet zien dat ik zelf weer een echt persoon kan worden. En ik heb mijn strijd met de kritiek al opgegeven nog voor die begonnen is.

Dat waren de nogal zelfingenomen woorden die hij vaak gebruikte wanneer hij alleen was – meestal wanneer hij moest bijkomen van momenten van voorafgaande opwinding – terwijl hij, doorgaans over literatuur, van gedachten wisselde met een schaduwtegenstander.

In een voor hem niet nader te duiden richting waarin hij toevallig keek, ergens boven de hoge gebouwen die links van het station stonden, was de zon ondergedoken in een waas dat over de stad lag. In dat waas ontstak ze, als was het met haar laatste kracht, nog één keer haar schittering, en het leek alsof verhitte kleuren van schuin boven over de straat uitstroomden. Het werd avond, de alomtegenwoordige bedrijvigheid vertoonde eerste tekenen van vermoeidheid. In de daarnet nog dichte muur van auto’s tegen de stoeprand openden zich parkeerplekken die niet opnieuw werden bezet, de mensenstroom in de voetgangerszone begon weg te ebben, en in plaats daarvan kwamen steeds meer mensen naar buiten. Aan de tafeltjes voor de lunchroom kwamen opeens plaatsen vrij en meteen werd het servies nog maar lusteloos afgeruimd, het spitsuur was immers voorbij. Een jong paartje dat bij hem aan tafel had gezeten, was plotsklaps opgestaan, alsof er in hun hoofd een wekker was afgegaan. Vlak daarvoor hadden ze nog met verbeten gezichten grote brokken aardbeientaart met slagroom naar binnen zitten werken. Meer dan een derde hadden ze op de schoteltjes achtergelaten. Niet zonder ze nog met hun taartvorken te bewerken en uit elkaar te trekken, zodat ze niet opnieuw konden worden gebruikt. Hadden ze de blikken van C. misschien voor die van een hongerlijder gehouden toen hij gebiologeerd toekeek hoe ze zich volpropten? Fout, het was dorst die in zijn ogen glansde. De reden voor hun overhaaste vertrek was een andere, het was de teleurstelling over het feit dat het half zeven was, en dus tijd om het centrum te verlaten. Voor de ingangen van de grote warenhuizen stonden mannen met sleutels die nog één keer de glazen deuren openden voor de klanten die te lang in het warenlabyrint waren blijven hangen, zodat die met hoogrode gezichten op de straat ontkwamen. Het was voorbij! Leeg de avond, eindeloos de nacht die erop volgt. Taai en drukkend de invallende duisternis, haast wezenloos; en nauwelijks te beantwoorden de vraag of het morgen weer zo’n prachtige winkeldag zou worden. In het duister zouden zich misschien wolken boven de stad samentrekken – oh, onberekenbare september!

Met een giftig roodgeel aftreksel van kleuren was de zon in het waas ondergedoken, haar restwarmte was niet meer in staat de winkelgeuren van de stad te verbranden. En die waagden zich nu naar buiten: de onverklaarbare geur van ranzig oud vet steeg op uit de goten en hechtte zich als zeperig zweet aan de patronen van de gevlochten plastic tafelkleden voor het koffiehuis. In de warmte was de frambozenrode geleimassa van de overgebleven aardbeientaart gesmolten en in de plassen op de schoteltjes spartelden een paar wespen die zich in de val van geur en kleur hadden gewaagd. Het café moest tot acht uur open blijven, maar deze man, die in zijn eentje was blijven zitten, die al een uur achter een halve kop koffie zat op het lichtbruine oppervlak waarvan een geel vetoog dreef dat na het roeren van de melk niet was opgelost, deze man, die niets meer wilde bestellen, oogstte al lang de scheve blikken van het personeel dat bestond uit een blondine en een brunette, allebei van niet nader te bepalen leeftijd. Waaraan dacht deze man die zich kennelijk zonder auto aan de rand van het centrum ophield? Hij had inderdaad niets te vervoeren, want zijn buit bestond slechts uit de platte inhoud van één enkele plastic zak, qua afmeting ongeveer dertig centimeter in het vierkant. Naar alle waarschijnlijkheid had hij maar één langspeelplaat gekocht, en hier aan tafel had hij maar één kop koffie besteld, met mineraalwater, en na aflevering van de bestelling gelijk betaald. Zonder een cent fooi. Die vent was niet thuis te brengen, te oordelen naar zijn dialect kwam hij niet uit Neurenberg. Eerder misschien uit het Oosten, maar hoe kwam je uit het Oosten in Neurenberg, dat paste op de een of andere manier niet in het plaatje.

Frans Janssen

vertaler | columnist | recensent

© Copyright. Alle rechten voorbehouden.

Information icon

We hebben je toestemming nodig om de vertalingen te laden

Om de inhoud van de website te vertalen gebruiken we een externe dienstverlener, die mogelijk gegevens over je activiteiten verzamelt. Lees het privacybeleid van de dienst en accepteer dit, om de vertalingen te bekijken.