Huizen schuiven
Voorproefje van Het Eiland van Matthias Wegehaupt
‘Hebben jullie weleens over de bouw van een dolfinarium nagedacht?’ De kameraad voorzitter zweeg even, terwijl hij genoot van de verblufte gezichten van de architecten.
‘Kameraden,’ zei hij, ‘bij bepaalde projecten moeten we het bekrompen denken op creatieve wijze achter ons laten.’ Hij was overgeschakeld op je en jullie. Ook al droegen maar twee van de architecten het Partij-insigne, hij nam toch aan dat ook de derde, gegeven het belang van de zaak waarmee het collectief was belast, lid was van de Eenheidspartij.
‘Bij de planning moeten we er als uitgangspunt van uitgaan,’ ging hij verder, ‘dat alles maakbaar is. Ik hoef het niet nog een keer te herhalen: het voornemen tot “socialistische omvorming” van het eiland is besproken op het allerhoogste niveau. Dolfijnen bijvoorbeeld zouden voor het Ministerie van Defensie zomaar ineens van het allergrootste belang kunnen zijn. Mij is belangwekkend informatiemateriaal ter hand gesteld waaruit overduidelijk blijkt: in bepaalde imperialistische landen zijn experimenten met deze vissen uitgevoerd, die hun inzetbaarheid voor militaire doeleinden overduidelijk bevestigen.’ Hij gaf liever niet toe dat hij zijn kennis te danken had aan doodgewone bladen uit het Westen, die voor gewone burgers echter niet toegankelijk waren.
Mooie vissen, dachten de architecten. Ze konden een glimlach niet onderdrukken. Hij registreerde deze kennelijk arrogante eensgezindheid en reageerde direct.
‘Ja,’ vervolgde hij met een zekere scherpte, ‘er zijn burgers wie het niet uitkomt als we ons op alle terreinen, ik zeg met nadruk op álle terreinen, teweerstellen tegen de vijand.’
Het lachen verging de architecten.
‘Maar,’ draaide hij bij, ‘we stellen prioriteiten. Er kan echter een moment komen waarop we moeten besluiten ons meer bezig te houden met de training van deze strategisch interessante… dolfijnen… dan met zonnebaden.’
Streng monsterde hij de architecten. Ze leken het nu helemaal met zijn uiteenzetting eens te zijn. Hij boog zich over naar zijn secretaresse en tikte op het verslag. ‘Noteert u alstublieft. Uitbreidingsmogelijkheden en functieveranderingen moeten worden onderzocht. Mogelijke oplossingen voor toekomstige problemen met name met het oog op de verdediging van het land worden nader uitgewerkt.’
Hij wendde zich weer tot de architecten: ‘De grote onderwaterruit van een verwarmd zwembad met zeewater zou zeker kunnen dienen als aantrekkelijke achtergrond van een bar. Maar bij een verdere toespitsing van de wereldpolitieke situatie zullen er misschien geen verdienstelijke werkenden in het water poedelen, maar zou het bassin gebruikt kunnen gaan worden als trainingslocatie voor onze kikvorsmannen en, wanneer dat zinvol wordt geacht, dolfijnen.’
‘Kameraden, al onze bouwactiviteiten hebben een tweeledig karakter. Over de dikte van de muren en de ventilatie van de kelders onder de gebouwen, ofwel de schuilkelders, hoeven we het niet te hebben, daarvoor bestaan reeds richtlijnen die voor de hele Republiek gelden. Voorwaarts op de weg van het socialisme!’ Hij liet zich in zijn stoel terugzakken.
De medewerker begon te applaudisseren, de architecten vielen in. Zijn handen jeukten, bijna hij was voor zichzelf gaan klappen.
‘Alstublieft,’ zei hij en hij wees met een weids, ingestudeerd gebaar op het tafelblad, ‘gaat u verder.’
Het zweet brak de leider van de architectengroep uit. Die man met zijn dolfijnenbassin en dat onderwaterrestaurant met dubbele functie gaat voor problemen zorgen, dacht hij. Maar we hebben zijn zegen nodig. Hij kwam overeind, trillend op zijn benen.
‘Voor een beter begrip van ons project,’ begon hij, ‘hebben we een model meegenomen. Mijn collega’s bouwen het op, terwijl ik ondertussen de basisprincipes toelicht.’
De beide andere heren stonden op, pakten hun tassen, keken om zich heen en vroegen de medewerker om twee extra tafels.
Niemand hoefde zich te vervelen. Tijdens de uiteenzetting van de architect konden de toehoorders zien hoe uit de kantine extra tafels naar binnen werden gedragen en de platen met de daarop getekende straten en weggetjes zich perfect samenvoegden tot één groot vlak. De heren van het planningsbureau haalden kleine, van takjes en mos gemaakte boompjes uit kartonnen doosjes en staken die in voorgeboorde gaten.
Ze schoven keurig gevormde vlekken van veloursgras op het volkomen platte vierkant, gaven met spiegelende folie watervlaktes aan, visten kleurige auto’s op schaal uit hun tassen en haalden vervolgens zware kubussen, de huizen, tevoorschijn.
Leuk, dacht de secretaresse. Het ensemble deed haar aan de modelspoorbaan van haar broer denken.
De architecten hadden zelfs bootjes en kleine poppetjes meegenomen. Ze zetten de huizen op gemarkeerde plekken en plaatsten ter decoratie een paar vrolijk gekleurde auto’s en poppetjes in het landschap.
De baas van het eiland hield het nauwelijks uit op zijn stoel. Hij moest wel enige aandacht aan de toelichting besteden, maar was het liefst met huisjes gaan schuiven. Hij betwijfelde of men bij het planningsbureau werkelijk optimale oplossingen had gevonden.
Het ging per slot van rekening niet alleen om socialistisch wooncomfort, om architectuur, of dat alles op rolletjes liep, nee, iedere keuze was ook een politieke keuze.
Demonstraties, parades, culturele manifestaties, daar moest het eiland ook een podium voor bieden. Een geschikt balkon van waaraf hij de mensen kon toespreken moest in de planning worden opgenomen. Er moest ruimte voor een eretribune worden gecreëerd, voor de veiligheid van hooggeplaatste gasten moest worden gezorgd.
Niets mocht aan het toeval worden overgelaten, zelfs bij de namen van de straten… Juist, de namen. Hij noteerde: straatnamen. Maar twijfelde toen opeens met hoeveel a’s je dat spelde.
Wantrouwig keek hij naar zijn secretaresse, maar die negeerde zijn notitieboekje, ze keek naar de mannen die met de huisjes speelden. Hij klapte zijn notitieboekje dicht. Ik heb het niet zo gemakkelijk gehad als zij, zei hij in zichzelf. Op mijn veertiende al helpen bij het luchtafweergeschut. Toen de bommenwerpers kwamen mocht niemand de bunker in. Zitten blijven en vuren, vuren, vuren. Schieten in plaats van school. School bijzaak. Aan het eind van de oorlog gearresteerd door onze vrienden uit de Sovjet-Unie, met dank aan de nazi’s, verdacht van lidmaatschap van de weerwolven, bijna twee jaar in een kamp, mag je niet over praten, de helft van de gevangenen verhongerd. Ziektes, kou, dysenterie. Ik heb me opgewerkt, vooruitstrevend wereldbeeld, heb me ontwikkeld, ook al zit er hier en daar nog een lacune. Dat ze zich maar niks verbeeldt, dat kind.
De grootste weg hier wordt de weg naar het dorp. Beton, net als bij een autobaan. Tweeledige functie: weg en landingsbaan. Het eiland als vliegdekschip. Als we hier eenmaal gaan bouwen valt de straat ook af. Alle mogelijkheden volledig benutten, maar dat gaan we niet met die lui hier bespreken.
‘Alles goed en wel,’ onderbrak hij de architect, ‘het verhaal van uniforme bouw met verschillende betonskeletten kennen we. Er bestaan bepaalde richtlijnen, maar hier zijn nieuwe maatstaven aan de orde, niet alleen voor vandaag, maar ook voor morgen.’ Hij wees met een geringschattende beweging naar het model. ‘Wat weinig groen, vinden jullie u ook niet, kameraden?’ Zijn handen jeukten om nog wat boompjes uit de doosjes te halen en ze dan hup, hup, hup in de houten plaat te prikken. Een hele laan in een handomdraai.
Hij stond op, gretig om een handje te helpen. ‘En,’ vroeg hij, ‘hebben we nog een paar boompjes meegebracht?’
De beide heren keerden hun tassen om. Ze waren leeg.
Hij fronste zijn voorhoofd, keek naar het model en zuchtte. De architecten huiverden. Omdat de baas nog niet goed wist wat hij wilde doen, wendde hij zich streng tot de leider van de groep. ‘Goed, ga door!’
‘Geachte aanwezigen,’ vervolgde die, terwijl hij een lichte buiging in de richting van de baas maakte, ‘wat u hier voor u ziet, is het resultaat van omvangrijke studies door planningsbureau 7 Oktober. Onze medewerkers hebben de nieuwste inzichten grondig bestudeerd. De tekeningen zijn tot in het kleinste detail uitgewerkt. De deurklinken, vloerbedekking en lichtarmaturen zijn allemaal uitgekozen uit de meest recente catalogi. Deze gebouwen hier,’ op dit punt moest hij even slikken, ‘zullen niet te onderscheiden zijn van die in de hoofdstad. De onzalige tijden waarin dat wat goed was voor de hoofdstad overdreven leek voor de provincie,’ hij kreeg een zure smaak in zijn mond, ‘zijn voorbij.’
Hij merkte niet dat de baas van het eiland bij het woord ‘provincie’ ontstemd zijn wenkbrauwen optrok.
‘Er zijn uiteraard bepaalde richtlijnen waaraan we hier, net als overal, gebonden zijn. Maar waar het gaat om de beplanting of de kleurstelling van de gevels, daar valt over te praten.’
We hebben alleen maar de handtekening van die dikzak nodig, dacht hij. Als er complicaties zijn, krijgen we ervan langs van het planningsbureau. Als we maar niet nog een keer terug hoeven komen.
Weer trok de baas zijn wenkbrauwen op. De keuze van de kleuren wil hij dus hier en daar aan mij overlaten. Hij zal nog staan te kijken.
‘Jullie zijn toch wel ontvankelijk voor zakelijke argumenten,’ vroeg hij vaderlijk. ‘Uiteraard, uiteraard,’ haastte de architect hem te verzekeren, de dreigende toon in de vraag was hem niet ontgaan.
De baas leek per ongeluk tegen de plaat te stoten, het flatgebouw, een toren haast, viel om.
Hij nam het in zijn hand voordat een van de architecten kon reageren. ‘Ik hoop dat jullie gebouwen later wat steviger staan, collega’s,’ kapittelde hij ze lachend. Hij hield het flatgebouw in zijn hand en trok daarmee, alsof het een aanwijsstok was, een lange, imaginaire lijn over de tafel. ‘Ik had het over de groenvoorziening. Hier een dichte rij bomen. Een zekere afscherming van de aanlegplaats. Een hek alleen volstaat niet. De haven is openbaar gebied, dat wil zeggen toegankelijk voor alle bewoners en bezoekers van het eiland. In onze gebouwen willen we echter – ik kan daar in dit gezelschap open over zijn – ook gasten wier aanwezigheid bepaalde veiligheidsmaatregelen vereist een onbekommerde en comfortabele vakantie bieden.’
Hij keek de heren aan om het effect van zijn woorden te zien. Hij meende nog duidelijker te moeten worden. ‘Het zal niet alleen om nationale laureaten gaan, dat wil zeggen kunstenaars en wetenschappers.’ Hij pauzeerde, alsof de heren even de tijd moesten krijgen om te begrijpen wat hij had gezegd. Toen hield hij het flatgebouw op ooghoogte. ‘Het flatgebouw moet echter een zekere trots uitstralen. Ik zou me kunnen voorstellen dat we het exact in de richting van de ingang van de haven placeren. Richtinggevend symbool voor boten en voor iedere burger die aankomt.’ Hij zette het gebouw neer. ‘Ik stel voor dat we er nog drie of vier verdiepingen bovenop doen. Wat vinden jullie van een uitkijkplatform? Ik van mijn kant hou ervan de boel te kunnen overzien!’
‘Wij ook,’ bevestigden ze haastig.
‘Juist,’ zei hij, pakte een luciferdoosje uit zijn broekzak en zette het op de toren. ‘Inclusief lift uiteraard.’
Hij proefde een lichte twijfel bij de architecten. ‘Dat deze aanpassing wordt doorgevoerd, jongens, laat dat mijn zorg zijn. Ik neem vanmiddag nog contact op met het ministerie. De volledige controle over ons zeegebied is van elementair belang. In het ergste geval zijn we door de meervoudige functionaliteit van onze civiele gebouwen opgewassen tegen alle eventualiteiten. En dit is?’ Hij tikte op een langwerpig laag gebouw.
‘Eetzaal, keukens, kantines.’
‘Waarom staat dat gebouw zo en niet zo? Onze arbeiders willen tijdens de maaltijden graag over de zee kunnen uitkijken!’ Hij draaide het gebouw negentig graden en keek om zich heen alsof hij bijval verdiende. ‘En dit hier is, als ik me niet vergis, het wooncomplex.’ Hij knikte nadenkend, wiegde met zijn hoofd, pakte zijn luciferdoosje van de toren en legde het onder tegen het kantoorgebouw aan. ‘Wat vinden jullie ervan als we het woon- en het werkgedeelte door een overdekte gang met elkaar verbinden? Bij regen, wind en sneeuw minder viezigheid en vooral tijdsbesparing. Zonder jas naar kantoor. Wanneer iedere arbeidskracht dagelijks ook maar vijf minuten bespaart, komt dat over het hele eiland uit op 5 gedeeld door 60 maal aantal werkenden = x uur winst. En dan hebben we nog niet eens over de hele Republiek. Minder uitval vanwege verkoudheid enzovoort, enzovoort.’ Nou, collega’s, kunnen jullie me nog volgen, dacht hij en ging minzaam verder: ‘Fantasie, mijne heren, fantasie voor de wereld van morgen!’
Door zijn geschuif met gebouwen was er een lege ruimte ontstaan. Hij legde zijn vlakke hand op de plaat. ‘En hier komt het grote waterbassin, later overdekt. Daar hebben we het al eerder over gehad.’
Hij liet zijn hand op de tafel liggen en voelde de koelte van het water al. Waar zijn hand de plaat aanraakte, zou water komen. Opgewekte, luchtig geklede secretaresses tijdens de middagpauze. Geen onaangename aanblik, dat gespetter, maar het verwarmingsgebouw stond in de weg.
Hij tilde zijn rechterhand van de plaat, pakte het gebouw zoals een schaakspeler een stuk pakt en liet zijn blik peinzend over de tafel gaan. De architecten berekenden geschrokken de gevolgen van dit soort ingrepen. Maar de hoofdarchitect zweeg. Eerst maar laten uitrazen, zei hij steeds tegen zichzelf. Ik ken dat. Laten uitrazen en hem dan hoogstpersoonlijk ieder gebouw weer op zijn oorspronkelijke plaats laten zetten, alsof het zijn eigen idee was. Die glazen gang zal hij schrappen wanneer we de verhoging van het weerstandsvermogen, in de strijd tegen verkoudheid, te berde brengen. De eetzaal schuift hij terug wanneer we het probleem van oververhitting in de zomer opvoeren, het verwarmingsgebouw… Maar het verwarmingsgebouw zweefde nog in de lucht toen de gedachten van de machtigste man van het eiland plotseling door heftig kloppen werden onderbroken.
De secretaresse rende naar de deur. Hij keek niet op, maar riep dreigend: ‘We mogen niet worden gestoord!’ In gedachten verzonken keek hij met het verwarmingsgebouw in zijn hand naar de maquette. ‘We zijn aan het werk,’ voegde hij eraan toe.
Hij had het gevoel dat hij de architecten met de zin ‘We zijn aan het werk’ onverdiende eer bewees. Het was toch wel duidelijk: de enige die op dit moment werkte was hijzelf.
De secretaresse glipte de gang in. Door de gesloten deur hoorde men haar scherpe, onverbiddelijke stem. Een dof mompelende mannenstem bleef echter hardnekkig tegenstribbelen. De jonge vrouw kwam weer binnen, deed de deur geruisloos dicht en kwam achter de baas staan.
Het verwarmingsgebouw kreeg een toevallige plek in het landschap. De dikke hand rustte uit op het dak. De lange schoorsteen stak als een sigaret tussen de vingers omhoog.
‘Als u mij een opmerking permitteert…’ begon de architect. De baas keek onwillig op. De secretaresse maakte gebruik van het moment. Ze raakte zachtjes zijn mouw aan. Hij hield van zichtbare terughoudendheid: zij verwachtingsvol achter hem, terwijl hij opging in zijn werk. Hij, de onmisbare man.
‘Nou, wat is er,’ vroeg hij.
Ze boog dicht naar zijn oor toe en fluisterde in de geur van zijn scheerlotion: ‘Het is dringend, de eilandpolitie.’
Haar warme adem spoorde hem aan zich om te draaien. Haast bedroefd schudde hij licht zijn hoofd. Hij keek haar aan alsof ze een hardleers schoolmeisje was. ‘Ik herhaal,’ zei hij, ‘tot twaalf uur ben ik er niet, we zijn belangrijke beslissingen aan het nemen.’
Ze probeerde hem met mimiek te wijzen op bijzondere omstandigheden, maar in zijn vaderlijke minzaamheid had hij het niet door.
Goed, dan krijgen de anderen het voor mijn part ook te horen. ‘Er is geschoten,’ fluisterde ze.
