Voorproefje De paljas

Voorproefje van De Paljas van Thomas Mann

Ten slotte, en als waardige afsluiting van ‘alles’ en ‘de hele toestand’, is het nu inderdaad walging die het leven – mijn leven – bij me oproept, walging die me wurgt, opjaagt, me door elkaar schudt en weer ter aarde werpt, en me wellicht binnenkort of over enige tijd de benodigde veerkracht geeft om radicaal een eind te maken aan deze hele belachelijke en nietswaardige toestand en het definitief voor gezien te houden. Maar het is ook heel goed mogelijk dat ik het deze en komende maand nog uitzing, dat ik nog drie maanden of een halfjaar doorga met eten en slapen en bezig blijf – op dezelfde mechanische, geordende en rustige manier waarop mijn openbare leven deze winter is verlopen en die in schril contrast stond met mijn woeste innerlijke ontbindingsproces. Is het niet zo dat de innerlijke roerselen van een mens des te sterker en aangrijpender zijn naarmate hij uiterlijk een ont-hechter, wereldvreemder en rustiger leven leidt? Het is niet anders: je moet leven; en als je weigert een man van actie te zijn en je terugtrekt in de saaist denkbare afzondering, toch zullen de wisselvalligheden van het bestaan je innerlijk overvallen en zul je standvastig moeten zijn, om het even of je een held bent of een nar.

Ik heb dit maagdelijke schrift klaargelegd om mijn ‘verhaal’ te vertellen. Waarom eigenlijk? Om maar iets omhanden te hebben misschien? Uit hang naar het psychologische en om me te laven aan de onvermijdelijkheid van alles? Weten dat iets onvermijdelijk is, geeft troost! Misschien ook om op sommige ogenblikken te zwelgen in een soort onverschilligheid en superioriteit tegenover mezelf? Want onverschilligheid, ik weet het, dat zou een vorm van geluk kunnen zijn…

De kleine oude stad met zijn smalle, kronkelige straten met spitse gevels, zijn gotische kerken en fonteinen, zijn nijvere, rechtschapen en eenvoudige inwoners en het grote, van ouderdom grauw geworden patriciërshuis waarin ik ben opgegroeid, ligt ver achter me.

Het huis lag midden in de stad en had vier generaties van vermogende en in hoog aanzien staande kooplieden overleefd. Ora et labora stond er boven de deur, en wanneer je vanuit de brede stenen hal, die boven omzoomd werd door een galerij van witgelakt hout, de brede trap was opgelopen, moest je nog een royale vestibule en een kleine donkere zuilenhal door voor je via de hoge witte deuren in de woonkamer kwam, waar mijn moeder aan de vleugel zat te spelen.

Ze zat in het schemerdonker, want voor de ramen hingen zware, donkerrode gordijnen. En de witte figuren van goden op het behang leken plastisch uit de blauwe achtergrond naar voren te treden om te luisteren naar de zware, lage eerste noten van haar favoriete nocturne van Chopin, die ze heel langzaam speelde alsof ze ten volle wilde genieten van de melancholie van ieder afzonderlijk akkoord. De vleugel was oud en had ingeboet aan klankvolume, maar met het pedaal dat de hoge tonen zo omfloerst weergaf dat ze aan mat zilver deden denken, waren de wonderlijkste effecten te bereiken.

Ik zat op de imposante damasten sofa met de harde leuningen en luisterde en keek naar mijn moeder. Ze was klein en frêle en droeg meestal een lichtgrijze jurk van zachte stof. Haar smalle gezicht was niet echt mooi, maar onder het licht krullende, schuchterblonde haar met een scheiding had het iets van het stille, zachte en dromerige gelaat van een kind. En wanneer ze, met haar hoofd licht afgewend, aan de vleugel zat, leek ze op van die kleine, aandoenlijke engeltjes die op oude schilderijen zo vaak met een luit aan de voeten van de Madonna in de weer zijn.

Toen ik klein was, vertelde ze met haar zachte en ingetogen stem vaak sprookjes die alleen zij kende. Of ze legde eenvoudig haar handen op mijn hoofd, dat in haar schoot lag en bleef dan zwijgend en roerloos zitten. Die uren waren voor mij de gelukkigste en vredigste van mijn leven. Haar haar werd niet grijs en het leek alsof ze niet ouder werd. Haar gestalte werd alleen steeds frêler en haar gezicht smaller, stiller en dromeriger.

Mijn vader daarentegen was een heer van stevig postuur, gekleed in een zwarte jas van fijne stof met een wit vest, waarop een gouden binocle hing. Tussen zijn korte, zilvergrijze bakkebaarden stak zijn kin, die net als zijn bovenlip gladgeschoren was, rond en krachtig naar voren en de ruimte tussen zijn wenkbrauwen werd ingenomen door twee diepe, kaarsrechte plooien. Hij was een machtig man met veel invloed in het openbare leven, ik heb mensen gezien die ademloos van opwinding en met een schittering in hun ogen bij hem vandaan kwamen, maar ook mensen die gebroken en helemaal ten einde raad waren. Want het kwam een enkele keer voor dat ik en ook mijn moeder en mijn beide oudere zussen bij dergelijke scènes aanwezig waren; misschien was dat omdat mijn vader bij mij de ambitie wilde prikkelen om het in de wereld net zo ver te brengen als hij. Misschien ook, dacht ik weleens argwanend, omdat hij behoefte had aan publiek. Hij had de gewoonte om leunend op zijn stoel en met een hand onder de revers van zijn jas, op zo’n manier een laatste blik te werpen op de gelukkige of gebroken bezoeker, dat ik hem daar als kind al van verdacht.

Ik zat in de hoek en keek naar mijn vader en mijn moeder, alsof ik moest kiezen tussen hen beiden en overwoog of het beter was het leven door te brengen in dromerijen of in daad en macht. En op het eind bleven mijn ogen rusten op het stille gelaat van mijn moeder.

Frans Janssen

vertaler | columnist | recensent

© Copyright. Alle rechten voorbehouden.

Information icon

We hebben je toestemming nodig om de vertalingen te laden

Om de inhoud van de website te vertalen gebruiken we een externe dienstverlener, die mogelijk gegevens over je activiteiten verzamelt. Lees het privacybeleid van de dienst en accepteer dit, om de vertalingen te bekijken.