De duivel op het midden van de weg
(vrij naar Nader tot U)
ME AND THE DEVIL WAS WALKING SIDE BY SIDE
Toen ik bij de viersprong aankwam, lagen alle wegen open.
De sfinx lag gelukzalig in de zon, een mooie jongen met vlasblond haar.
Of was het de duivel?
Ik keerde op mijn schreden terug.
Beuningen, 1 januari 1976
Gisteravond waren we met zijn allen op de boerderij, de Gitarist, de Dichter, de Kunstschilder en nog iemand die met de Kunstschilder was meegekomen, een jongen van een jaar of achttien met blozende wangen en sprieterige blonde haren. Na de eerste twee kruikjes verzeilden we in een gesprek over de Almachtige en zijn Eeuwige Tegenpool. De Gitarist pakte zijn instrument en begon te spelen. Standing at the crossroads, Hellhound on my trail, Me and the devil. Robert Johnson is nooit ver weg wanneer de jenever stroomt.
Rond twaalf uur besloten we naar de stad te gaan. Ik verzette me in eerste instantie, want ik houd niet van kafeebezoek, maar de anderen hielden aan en de blonde jongen was het ermee eens en als ik hem niet uit het oog wilde verliezen, had ik geen andere keus. De Gitarist, de Dichter en de Kunstschilder staken ieder een kruikje in, ik nam er twee. De blonde jongen, die waarschijnlijk net zijn rijbewijs had, zette zich aan het stuurwiel, ik nam naast hem op de voorbank plaats. Terwijl de dijk recht vooruit bleef lopen, dwaalden mijn gedachten af. Vooral naar links waar de dijen van de blonde jongen werden omspannen door van die strakke vale jeans die tegenwoordig in de mode zijn.
De blonde jongen met de Kunstschilder in de martelkamer, het zou een ontroerend begin van het nieuwe jaar kunnen worden. Ik overwoog mijn kansen. Ten eerste moest de blonde jongen na afloop mee terug, ten tweede moest de Kunstschilder ook mee en ten derde moesten we dan onderweg de Gitarist en de Dichter zien kwijt te raken, want anders zou het toch weer uitdraaien op verder drinken en dan kwam er uiteindelijk nog niets van terecht. En dan moest ik de Kunstschilder nog overtuigen van de superioriteit van mijn plan. Een operatie van gargantueske proporties die een zorgvuldige planning vereiste.
In de stad was de keuze tussen het sosjaal-feministiese De Plak en Extase dat een vreemde mengeling van kommunisten en cocaïne-gebruikers herbergde, al of niet verenigd in één persoon. Omdat Extase meer kans bood tot het ongemerkt nuttigen van onze meegebrachte drankvoorraad, kozen we voor het laatste etablissement. Het bleek een gelukkige keuze met het oog op deel drie van mijn plan, want de Gitarist en de Dichter lieten zich al snel uit het veld slaan door het gebruik van enige geestverruimende middelen in combinatie met de inhoud van hun kruikjes, daar zouden we geen last meer van hebben. De Kunstschilder en de blonde jongen wisten zich ondertussen kranig staande te houden.
Om half vier vatten we gedrieën de terugreis aan. De dijk, hoewel in tegengestelde richting, was nog steeds recht. De blonde jongen boog zich over het stuurwiel, de Kunstschilder liet zich behaaglijk tegen de kussens van de achterbank glijden. Op de boerderij toverde ik mijn laatste kruikje tevoorschijn en concentreerde me op de beslissende stap.
Nu loop ik in mijn eentje over het erf. De Kunstschilder is naar huis, de blonde jongen ligt boven te slapen. En ik, ik durf niet. God, Almachtige, waarom stelt U mij zo op de proef? Wie bent U, wat is Uw wezen en hoe kan ik nader tot U komen? Ik neem een slok uit mijn kruik, het is de laatste. De duivel op het midden van de weg.