De voet van de berg
(vrij naar Nooit meer slapen)
We staan aan de voet van de berg. De tocht vanaf Paratepui heeft twee dagen geduurd, twee dagen waarin de banden van mijn rugzak striemen in mijn schouders hebben gekerfd en de beten van de puri-puri mijn armen hebben geteisterd. Nu moeten we omhoog, achthonderd meter naar de top van de tafelberg, een granietblok van veertig vierkante kilometer op de grens van Venezuela, Brazilië en Guyana. Frank, de gids, zegt dat het goed te doen is, voor iedereen ‘met enige klimervaring’. Ik heb geen klimervaring.
Links een dunne twijg die ik met mijn hand omklem, rechts een uitstekende rotspunt, houvast voor mijn voet. Stap voor stap, hand na hand, af en toe een knie op een richel en dan weer moeizaam overeind. De andere twee zijn al lang uit zicht. Ik ben de klungel der klungels uit het vlakke land. Gelukkig kun je hier niet verdwalen. Je kunt alleen maar omhoog. Of naar beneden, driehonderd meter inmiddels. Niet omkijken.
Het wordt wat vlakker. Er is een pad. Ik loop. In de verte hoor ik het ruisen van een waterval. Dat moet de rustplaats zijn waar Frank het over had. Halverwege. Ik zet de pas erin, doe net of het me geen moeite kost. Daar zitten ze, Frank en de Spaanse geoloog die ook iets met meteorieten schijnt te hebben. Frank is in de weer met de kip, de vleugels gaan eraf, de nek wordt geknakt, de primus staat klaar. Ik ga iets apart zitten en vul mijn veldfles met water. Puri-puri houden van water.
De promotie was toch nog geslaagd. Geen cum laude natuurlijk, maar dat was ook niet te verwachten. De laudatio van Sibbelee kon er eigenlijk best mee door. ‘De wetenschap gaat in kleine stappen vooruit,’ had hij gezegd. ‘Soms vind je geen baanbrekende resultaten en dan moet je dát rapporteren. En dat heb je heel goed gedaan.’ Ironie natuurlijk, maar de promotie was de promotie. En nu kan ik mijn eigen gang gaan, precies op het terrein waar Sibbelee heeft gefaald: de theorie van de meteorieteninslag op Roraima.
We zijn vlak onder de top. Nu komt het stuk waar Frank voor had gewaarschuwd: een strook van een paar honderd meter zonder begroeiing. De wand loopt ongeveer vijftig graden omhoog. Het miezert, de ondergrond is glad. Een kleine waterval maakt het nog glibberiger. Op handen en voeten kruip ik naar boven, Frank en de Spanjaard vlak voor me. Ik denk aan Arne. Zo ongeveer moet hij zijn uitgegleden.
Het begint al te schemeren wanneer we top bereiken. Ik zet mijn tent op onder een overhangende rots. ‘Drinking water on the left, washing in front, shit on the right,’ commandeert Frank. De Spanjaard loopt naar waar Frank het washok heeft bedacht. Ik ga in mijn tent liggen en laat de sterrenhemel over me heen komen.
Natuurlijk heb ik hem niet vermoord. Waarom zou ik hem hebben vermoord? Hij hangt, één hand om een rotspunt, de ander om de theodoliet. Eén voet gezekerd, de ander bungelt. Gladde rotschoen. Ik roep. Ik schreeuw. Hij moet de theodoliet laten vallen. Zich met zijn andere hand optrekken. Dan kan ik hem helpen. Zo niet. Zo kan ik niets doen. Zo kan hij alleen maar vallen.
Het regent al vanaf vanmorgen. Gisteren hebben we de hele dag naar sporen van meteorieten gezocht, de Spanjaard en ik. Morgen gaan we weer naar beneden. Het zal glad zijn op de terugweg. De Spanjaard heeft er zin in, lijkt het, hij inspecteert alvast zijn schoenen. Ze zien er afgesleten uit.