Grannec

Eerst de Strudel bakken en dan pas nadenken

De godin van de kleine overwinningen van Yannick Grannec

Hoe is het om de partner van een genie te zijn? In de schaduw te staan van die grote geest die steeds maar bezig is met de kunst, de wetenschap of wat dan ook waar zijn rusteloze geest hem nu weer heen drijft. Terwijl jij… Ja, wat heb jij eigenlijk gedaan in die veertig, vijftig jaar dat je zijn levenspartner bent geweest, in al die jaren dat zijn geest over de velden zweefde? Nou, zeg je dan, de lakens verschoond, inkopen gedaan, bankafschriften, belastingen. Brood op de plank. Of Strudel, zoals een Oostenrijks spreekwoord zegt: eerst de Strudel bakken en dan pas nadenken. Niet zo heroïsch misschien, maar toch niet te versmaden voor het welbevinden van die grote geest naast je, althans dat denk je. Maar achteraf blijkt het oordeel van de geschiedenis nogal eens minder gunstig.

Voorbeelden te over. Xanthippe bijvoorbeeld, de tweede vrouw van Socrates. Terwijl haar man de godganselijke dag iedereen die maar wilde luisteren op de marktplaats van Athene aanklampte met zijn filosofische praatjes, moest zij zijn huishouden draaiende houden en drie kinderen grootbrengen. Om later te boek te komen te staan als toonbeeld van de humeurige vrouw. Dank u wel, Socrates.

Of, om dichter bij huis te blijven, Danny Cruyff. Wie heeft ervoor gezorgd dat Nederland in 1978 geen wereldkampioen is geworden? Wie riep dat Johan thuis moest blijven, omdat ze genoeg had van die zwembadtoestanden? Juist, ja. Oké, de linkervoet van Rob Rensenbrink had ook iets schuiner kunnen staan in die laatste minuut voor de verlenging maar dat is een detail. Als het aan het Nederlandse volk ligt, is Danny nog steeds de dame die het gedaan heeft.

Tijd voor een rehabilitatie. Goed, niet voor Danny en Xanthippe, maar wel voor de vrouw – of de partner – van het genie in het algemeen. Dat moet Yannick Grannec gedacht hebben toen ze zich zette aan de levensbeschrijving van Kurt Gödel, met onze eigen L.E.J. (Luitzen Egbertus Johannes, zeg maar Bertus) Brouwer toch wel de grootste wiskundige van de twintigste eeuw: nu eens niet vanuit de man zelf, maar door de ogen van zijn vrouw, de Oostenrijkse Adèle Porkert. Ze schreef met De Godin van de kleine overwinningen ook geen biografie van Gödel maar een roman. Gebaseerd op het leven van de Oostenrijker en zijn leven getrouw en stap voor stap volgend, dat wel, maar nadrukkelijk tot roman gemaakt, geromantiseerd. En vanuit het perspectief van zijn vrouw.

Wiener Kreis

De geschiedenis in vogelvlucht. Ik begin toch maar weer met de mannelijke kant. Kurt Gödel wordt op 28 april 1906 geboren in Brünn, Oostenrijk. Tegenwoordig zouden we het Brno, Tsjechië noemen. Op zijn achttiende volgt hij zijn broer Rudolf naar Wenen om daar wiskunde te studeren. Hij komt in aanraking met de Wiener Kreis, een groep logici en taalfilosofen waar onder andere Moritz Schlick en Rudolf Carnap deel van uitmaken. Een paar jaar later woont hij in Bologna een lezing van David Hilbert bij waar het gaat om de (on)mogelijkheid om uit de axioma’s van een formeel systeem alle ware beweringen van dat systeem af te leiden. Het lijkt het moment te zijn waarop zijn carrière een beslissende wending neemt. De rest is geschiedenis, zouden we kunnen zeggen. In 1930 promoveert hij op een dissertatie waarin de volledigheidsstelling is opgenomen die later zijn naam heeft gekregen en weer een jaar later publiceert hij het artikel Über formal unentscheidbare Sätze der Principia Mathematica und verwandter Systeme. De onvolledigheidsstelling zelf. De wereld, of in ieder geval de wiskunde, zou nooit meer hetzelfde zijn.

Maar intussen is er een vrouw in zijn leven gekomen, Adèle, Adèle Nimbursky, geborene Porkert, zoals de Duitser dat zo mooi kan zeggen. Adèle was gescheiden en dat pleitte al niet erg voor haar, althans niet bij de gegoede familie Gödel waar Kurt vandaan kwam, maar erger nog, ze was danseres van beroep in een van variététheaters van Wenen en bovendien ook nog eens zes jaar ouder dan Kurt. Een mésalliance, vond moeder Marianne Gödel, die allicht op wat beters voor haar oogappel had gehoopt en zich heftig tegen een huwelijk van Kurt en Adèle verzette. Met succes, want pas in 1938 zijn ze uiteindelijk – zeer tegen de zin van moeder Marianne – met elkaar getrouwd. Dat was tien jaar na hun eerste ontmoeting. Tien jaar van ongehuwd samenwonen, dat dan weer wel.

Yannick Grannec laat Adèle op haar leven met Kurt terugkijken. Daarvoor hanteert ze een handige kunstgreep. De roman begint in oktober 1980. Adèle zit in een bejaardentehuis in Pine Run in de Verenigde Staten, vlakbij het Institute for Advanced Studies in Princeton. Kurt is twee jaar daarvoor overleden. De Gödels zijn in Princeton terechtgekomen nadat ze in de winter van 1939-1940 voor de Nazi’s uit Wenen waren gevlucht. Het boek verhaalt van de – historische – tocht die ze daarvoor moesten ondernemen: niet ‘linksom’ via de Atlantische Oceaan, maar ‘rechtsom’: met de Transsiberië-expres via de Sovjet-Unie naar Japan, met de boot over naar San Francisco en uiteindelijk met de trein door naar de East Coast, een tocht van een paar maanden vol ontberingen, vooral voor Kurt die het qua gezondheid toch al niet zo breed had, ondanks de verzorgende handen van Adèle.

Brood op de plank

In het bejaardentehuis krijgt Adèle bezoek van Anna, een medewerkster van het Institute for Advanced Studies. De directeur van dat instituut had Anna op Adèle afgestuurd, omdat er – naar verluidt – nog een groot aantal interessante papieren in de nalatenschap van Gödel zouden liggen die Anna wellicht aan Adèle zou kunnen ontfutselen. Dat is de intrige aan de oppervlakte van de roman. Maar de relatie tussen de twee vrouwen ontwikkelt zich far beyond het gehannes rond de nalatenschap. Anna raakt gefascineerd door die oude, wat nukkige vrouw die haar hele leven heeft gegeven voor de grote geest. Adèle op haar beurt laat zich zo nu en dan wat ontdooien door haar jonge bezoekster en schotelt haar in een reeks van terugblikken een beeld voor van haar relatie met het Oostenrijkse genie. En zo krijgen we in retrospect zicht op het leven van Kurt Gödel, een genie inderdaad, maar vooral ook een vreemde, eenzelvige, vaak wat paranoïde man die de aanwezigheid en de zorg van zijn vrouw for granted nam, als iets wat hem, de grote logicus, toekwam. Inderdaad verschoonde zij zijn lakens, inderdaad zorgde zij voor brood op zijn plank. Brood dat hij overigens maar mondjesmaat tot zich nam, want – paranoïde als hij was – wie weet wat daar inzit. Misschien proberen ze me wel te vergiftigen. Hij heeft het echt gedacht. Op het eind van zijn leven teerde hij volledig in. En toen Adèle een keer, moe van vijftig jaar verzorging, naar het ziekenhuis moest, nam hij helemaal geen voedsel meer tot zich. Hij stierf op 14 januari 1978, uitgemergeld. Bij zijn overlijden woog hij 35 kilo. Adèle, aldus Yannick Grannec, heeft zich nog schuldig gevoeld ook. Als ik niet naar het ziekenhuis was gegaan… Afijn. Jezelf wegcijferen, ook een kunst.

De roman biedt een interessant beeld van het leven van Kurt Gödel, dat zeker. Interessant is ook het tijdsbeeld dat daarmee ontstaat: het Wenen van voor de oorlog, de Nazitijd, de vlucht van de intellectuelen uit Duitsland naar de Verenigde Staten, het naoorlogse Princeton met Gödel maar ook met grootheden als Einstein – de intieme vriend van Kurt Gödel – John von Neumann, Robert Oppenheimer en Wolfgang Pauli. De McCarthyperiode ook met de communistenjacht in de beginjaren vijftig, absoluut niet bevorderlijk voor de gemoedsrust van Gödel. De roman biedt ook – op de goede manier – dat andere perspectief: hoe is het om de partner van een genie te zijn. Lezenswaardig dus, deze roman, dat zeker. Maar ik ontkom niet aan een paar punten van kritiek. Ten eerste de opbouw. Die is toch echt een beetje schools. De continue afwisseling van de hoofdstukken uit het ‘heden’, waar Anna en Adèle met elkaar in gesprek zijn, met die uit het verleden, waar Adèle op haar verleden terugkijkt, is tot daaraantoe. Maar die terugblik van Adèle is vervolgens wel volstrekt chronologisch georganiseerd, van de eerste ontmoeting met Kurt tot aan zijn overlijden in 1978. Geen uitstapjes, geen associaties, geen gebroken herinneringen zoals je die toch zou verwachten als iemand op haar veelbewogen leven terugkijkt, maar een rechttoe-rechtaan verhaal von der Krippe bis zum Grab. Als om de lezer in ieder geval de gelegenheid te geven de biografie van Gödel uit het boek te destilleren: concentreer je op de even hoofdstukken, sla het gedoe tussen Adèle en Anna uit de oneven hoofdstukken over en je hebt het leven van Gödel, die indruk maakt het.

Stroef is het boek ook, af en toe, qua stijl. Niet helemaal soepel. Maar ik moet zeggen, ik weet niet of dat aan Yannick Grannec ligt of aan de vertaling van Marijke Arijs. Raar is die vertaling af en toe in ieder geval wel. Dan gaat het over ‘vieze’ dingen waar Gödel begrijpelijkerwijs een hekel aan heeft en dan herinnert Adèle zich dat hij zelfs nooit wist wanneer zij ‘haar regels had’. Het staat er echt! J’ai mes règles, dat is toch echt Frans voor ongesteld zijn.

Een spiegel die het licht weerkaatst

Wat me dan weer wel bevalt, is de wiskunde in het boek. Of beter: de afwezigheid van de wiskunde. Laat ik me nader verklaren. De grote valkuil van zo’n boek is volgens mij dat je gaat proberen de onvolledigheidsstelling uit te leggen voor leken. Dat gaat bijna altijd mis. Zeker wanneer je het probeert in te vlechten in een roman. Gödel die Einstein gaat uitleggen waar zijn stelling over gaat, of omgekeerd Einstein die Gödel inwijdt in de relativiteitstheorie. Maar allebei op de knieën, want het is natuurlijk niet voor de ander bedoeld, maar voor de lezer. Dus op de knieën met zijn tweeën, wat vaak tot heel knullige dialoogjes leidt. Nee Albert, Gödel weet echt wel wat de zwaartekracht van Newton inhoudt, dat hoef jij hem niet meer te vertellen! Yannick Grannec trapt niet in die valkuil. Waar ze het al nodig vindt om op de inhoud van de theorie in te gaan, doet ze dat bij voorkeur via metaforen. De onvolledigheidsstelling wordt dan bijvoorbeeld een boom met heel veel takken die staan voor beweringen die je uit de axioma’s kunt afleiden. Maar tussen de bladeren zweven nog steeds beweringen die waar zijn maar niet via een tak te bereiken. Ieder even hoofdstuk krijgt bovendien een welgekozen citaat mee en daar zitten paar juweeltjes tussen. ‘Er zijn twee manieren om licht te verspreiden: je kunt een kaars zijn, of een spiegel die het licht weerkaatst,’ opent het boek met een citaat van Edith Wharton. Adèle Porkert-Gödel was een heel heldere spiegel.

Yannick Grannec, De godin van de kleine overwinningen, vertaling Marijke Arijs, Arbeiderspers, 400 pp., ISBN 9789029588409

Frans Janssen

vertaler | columnist | recensent

© Copyright. Alle rechten voorbehouden.

Information icon

We hebben je toestemming nodig om de vertalingen te laden

Om de inhoud van de website te vertalen gebruiken we een externe dienstverlener, die mogelijk gegevens over je activiteiten verzamelt. Lees het privacybeleid van de dienst en accepteer dit, om de vertalingen te bekijken.