Couperus

Franse les

(vrij naar Van oude menschen, de dingen, die voorbij gaan)

Vanuit het schoolraam was zijn figuur al in de verte te ontwaren. Daar kwam hij aangestiefeld, magere bonenstaak, snuivende haakneus priemend in de wind. De jaspanden fladderden in het rond, de shawl wapperde om de smalle, met witte boord afgebiesde, nek. De hoed werd door een bleke hand vast-verzegeld op het wit-piekende haar. Windvlagen waren kansloos tegen de ijzeren greep van de Katholieke Kerk. Pater Willibrordus was in aantocht. Zijn faam was hem al weken vooruitgesneld.

“Dites en français!” De schrille stem van de Pater-Jezuïet klonk-schalde door het hoge lokaal. Hij stond, kraai-ooievaar, één been schuin vooruit en een knokige vinger dreigend in de lucht, voor zijn lessenaar, zijn hele uitgemergelde lichaam in de aanslag, als zoû hij, Don Quichot, onverwijld ten strijde trekken op het moment dat nóg een leerling de euvele moed had het woord in een andere taal dan het Frans tot hem te richten. Boven de rand van de grijs-grauwe sok die de uitgestoken voet omlijstte, was nog net een streepje van zijn lijkwitte onderbeen te ontwaren waarop de blauwe aderen craqûeleerden. “Dites en français,” herhaalde de zwartgerokte adept van Ignatius waarbij zijn adamsappel frenetiek op en neer klokte onder zijn vale, van enkele verdwaald uitstaande stoppels voorziene, kinnebak. “Et dites mon père!” De aangesprokene trok bleek weg. Mon père? Tegen die vogelverschrikker? Hij hakkelde wat van “Oui, bien sure”, en probeerde het mon père er onhoorbaar achteraan te smokkelen.

De Pater hernam gedecideerd het woord. “On parle français ici,” dicteerde hij, zijn ogen in vervoering gericht op een denkbeeldig punt achterin in de klas, ver verheven boven ons stervelingen, alwaar hij de Goddelijke inspiratie vermoedde. “Les fautes classiques,” vervolgde hij in één adem, om ons bij wijze van vuurdoop met piepende stem te trakteren op een uitputtende lijst van schrikbarend veel op elkaar lijkende Franse woorden, die triomfantelijk begon met entendre, en via attendre en attendre que plus subjonctif, na veel omwegen knerpend landde op étreindre. Verstikkende omknelling, uitgesproken met de kracht van een wurgkoord. Of we die voor de volgende les uit ons hoofd wilden leren, inclusief Latijnse afleidingen.

“De zoon van Augustinus?” De vraag van de Pater veroorzaakte diepe stilte. Hij keek ons doordringend aan, wenkbrauwen gefronst, het wit-piekende haar in punten boven het gerimpelde voorhoofd. Nauwelijks hadden we de terreûr van de fautes classiques doorstaan, of daar lanceerde de Pater zijn volgende aanval. Van Augustinus hadden we nog net gehoord, maar wie of wat zijn zoon was? Of… Of, toch …

Otto, palindroom en beste jongetje van de klas, ondoordringbare brillenglazen onder een torenhoog voorhoofd, stak aarzelend zijn vinger op. “Dites-moi,” sprak de Pater op een ongebruikelijk welwillende toon. “Adeodatus.” Het was timide gesproken, maar het gezicht van de Pater lichtte op, alsof hij zelf een geschenk van boven had ontvangen. Hij beende door de klas, Mozes die het Beloofde Land had gezien, en schudde de leerling de hand. “Jij weet wat!”

“Onsterfelijke aria: Tie – Taâ – Taâ.” De Pater klom, rammelend skelet bijeengehouden door uitgedroogd vel, bovenop de lessenaar, en probeerde amechtig een hoge C te bereiken. Zijn uitgestoken knookvinger wees naar waar de hoge Tie zich moest bevinden. Met krakende stelten keerde hij terug naar de begane grond, om zijn gezang te vervolgen. De eerste Taâ bleek nabij twee octaven lager rond kniehoogte te zweven – de Pater ging piepend in de hûrken - terwijl de laatste noot zich ophield ter hoogte van het maaiveld, modûlerend tussen de grijs-grauwe Jezuïetensok en de rand van de net te korte, lange broek. “Onsterfelijke aria,” keel-sprak de Pater, ons in verbijstering achterlatend over een zelden vertoonde combinatie van goede bedoeling en mislukte uitvoering. Hij greep even naar zijn borst, leek te aarzelen, maar herpakte zich snel. “Fautes classiques, de nouveau!”

Vanuit het schoolraam zagen we hem moeizaam weglopen. De ene magere hand aan een wandelstok, de andere heen-en-weer bewegend tussen borst en hoed. Op het houten bruggetje stokte zijn pas. Hand aan de borst, zeeg het lichaam ineen. De hoed rolde van de wit-piekende haren over de brug in de gracht. De greep van de Katholieke Kerk was voorgoed verslapt.

Frans Janssen

vertaler | columnist | recensent

© Copyright. Alle rechten voorbehouden.

Information icon

We hebben je toestemming nodig om de vertalingen te laden

Om de inhoud van de website te vertalen gebruiken we een externe dienstverlener, die mogelijk gegevens over je activiteiten verzamelt. Lees het privacybeleid van de dienst en accepteer dit, om de vertalingen te bekijken.