Bordewijk

Oog in oog met de toekomst

(vrij naar Karakter)

Het straatje lag er verlaten bij. Eenzaam, troosteloos, desolaat. Links het ooit zo charmante café, nu niet meer dan een vale blinde muur. Daarachter de restanten van het winkeltje, de pui half overeind, een balk, eens robuuste dakspant, doelloos hangend in de lucht. Vaag zichtbaar alleen nog het raambiljet met de aanbiedingen van weleer: fournituren 1,50 per strekkende meter, garen en stiksels, diverse kleuren, drukknopen, bretels, elastiek. De barst in het raam kapte het affiche ruw af.

Rechts was de afbraak totaal. Enkel een rij afgebikte grijze stenen deed vermoeden dat hier ooit van bebouwing sprake was geweest. Geen spoor meer van die eens zo statige gevel, vreemd uit de toon vallend in dat nauwe kronkelige straatje. Geen spoor van die massieve deur die hij minstens duizend keer moest hebben gepasseerd. Maar Wigboldus herkende het maar al te goed. Hier had hij de zes jaar van zijn lagere school doorgebracht. Hier had hij urenlang uitgekeken op de straat en zijn bewoners, kleurrijk ondanks hun armoede. Hier was zijn blik gevangen geweest door winkel en café, in een vruchteloos verlangen naar een grotere wereld.

Hij vermande zich. Geen tijd voor weemoed nu, de pas erin, direct rechts en dan schuin links en dan nog die laatste flauwe bocht naar rechts. Daar moest het liggen, het gebouw van zijn toekomst, het gebouw waar alle kennis, alle geleerdheid van de wereld verzameld was. Hij zette zijn hoed op en liep door.

En daar. Het Gebouw. Twintig verdiepingen, bijna honderd meter, rees het als een blok graniet boven hem uit. Vierkant grondvlak, dertig bij dertig. Statige lijn, loodrecht omhoog. De bovenrand afgezet met een overhangende daklijst die de kubusvormige geometrie van het gebouw op een merkwaardige manier accentueerde. Duizelingwekkend zweefde de daklijst in de lucht, terwijl hij zich toch ook amechtig aan het gebouw leek vast te klampen, angstig om te pletter te vallen op het plein.

Steen afgewisseld met glas, zag hij nu, verdieping na verdieping grijs afgewisseld met grauw. Af en toe scheen de zon langs de zijkant van het gebouw en lichtte een van de ramen op, waardoor een scherpe lichtflits in zijn ogen viel. Maar dat leek vooral een spel: snel trok de zon zich terug achter de wolken en de ramen vervielen in hun grauwheid. Nergens licht achter de ramen, nergens lucht. Hij zocht de ingang. Daar rechts, onooglijk, een minuscule draaideur, waarschijnlijk bedoeld om de geleerdheid geen kans te geven te ontsnappen. Hij begaf zich naar binnen, vol goede moed.

Het centrum van de hal werd in beslag genomen door liften. Geen balie hier, geen portier, geen geluid, geen hoogte ook, alleen liftschachten en linksachter het begin van een smalle betonnen trap. Als een U omsloten ze hem, acht liftdeuren, grijsgrauwe voortzetting van de buitenkant. Hij drukte op de knoppen. Buiten gebruik, allemaal. Wigboldus liet zich niet uit het veld slaan. Vol energie zette hij koers naar de trap en begon aan de beklimming. De dertiende, filosofie, hij had er zin in, nog steeds. Honderdnegenzestig treden later betrad hij de omloop waar de afdeling was gehuisvest. Hardgroene deuren, vijftien in getal, strak in het gelid. Een verdwaalde TL-buis, zoemend, knipperend, nu en dan fel oplichtend, dan weer bleek en flets. Geen levende ziel. De deur waarachter zijn promotor moest schuilgaan, zat op slot.

Frans Janssen

vertaler | columnist | recensent

© Copyright. Alle rechten voorbehouden.

Information icon

We hebben je toestemming nodig om de vertalingen te laden

Om de inhoud van de website te vertalen gebruiken we een externe dienstverlener, die mogelijk gegevens over je activiteiten verzamelt. Lees het privacybeleid van de dienst en accepteer dit, om de vertalingen te bekijken.